G. is een knaapje die altijd een radio meesleept. Weer of geen weer; het bont gekleurde kinderexemplaar van Sony hangt over zijn schouder. G. is wat ze in de volksmond noemen ‘een beetje achter’ en komt uit een probleemwijk aan de andere kant van het stadsgedeelte waar wij wonen. Zijn kleren zijn of te klein of te groot en altijd verwassen. Het is een beleefd joch met gitzwart haar, bruine kijkers en een koddig piepstemmetje.

Wanneer hij met de kinderen in de straat speelt, doet hij veel fout. Spelregels zijn hogere wiskunde. Moet de bal naar links, trapt hij naar rechts. In eigen doel schoppen, is ook scoren. Met verstoppertje is hij als eerste de pineut, omdat hij zich op dezelfde plek verschanst. Vanuit mijn schrijf- en muziekcocon kan ik de kinderen op ‘m horen vitten. Ook onze spruit

Ik heb een zwak voor G. Hij beroert iets in mij. Het maakt niet uit hoe vaak hij wordt gecorrigeerd. Hij ziet geen kwaad in de furie die de kinderen op ‘m afvuren. G. blijft vrolijk. Hij is immuun voor zijn tekortkomingen en de volmaaktheid van anderen.

Soms is er niemand buiten. Dan zit hij op de hoek van de straat met de radio naast zich. Hij legt een behoorlijke loopafstand af om naar ons te komen. Dat maakt het extra sneu om ‘m daar te zien zitten. Onlangs zat hij daar toen ik op een gure middag thuiskwam. Zijn radio had slechte ontvangst. Flarden van Madonna’s ‘Live To Tell’ zochten zich tussen de ruisbrij een weg naar buiten.

Dag, meneer”, groette hij. Ik groette terug en vroeg hoe het met hem ging.

Goed meneer.”

Jij hebt een mooie radio”, zei ik.

Hij is mooi hè?!” Zijn oogjes twinkelden als sterretjes. “Ik neem ‘m overal mee naartoe.”

Ik had vroeger ook een radio waar ik veel naar luisterde.”

Echt waar, meneer?” De verbazing droop van ‘m af. “Was die net zo groot als die van mij?”

Nee, die van mij was klein en niet zo mooi gekleurd als die van jou. Hij was zwart.”

Afbeeldingsresultaat voor philips D7180

Mijn radio is mijn vriend, meneer. De allerbeste die er is. Was de radio ook uw vriend?”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Vreugde en verdriet schoten als pijnscheuten door mij heen. Dat knaapje confronteerde mij onverwacht met mijn verleden. Op zijn leeftijd trok ik mij regelmatig terug op mijn slaapkamer om naar de radio te luisteren. Ik was stapel op dat ding, omdat het muziek produceerde. Het enige redmiddel waarmee ik mij voor alles en iedereen kon afsluiten. Ik kende dan wel geen armoede, was niet ‘achter’ en had vriendjes die me niet op de donder gaven. Toch was ik ook ‘anders.’ Ik was geen kind uit een yuppengezin zoals er zoveel in mijn klas waren. Kinderen die overal voorrang hadden. Kinderen die in alles de beste waren. Kinderen die door alles en iedereen op een voetstuk werden gezet. Ik was het timide jongetje in mijn eigen wereld. Een wereld met grotemensenmuziek. Mijlenver verwijderd van mijn klasgenootjes. Een wereld die ze niet konden, nooit zouden begrijpen en ik niet met hen wilde delen. Een wereld zonder onderscheid in wie of wat je was of waar je vandaan kwam. Daar waar ik mezelf kon zijn.

Ja, de radio was ook mijn vriend”, bekende ik. Het was lastig om te liegen tegen iemand waarin zich een stukje van mijn jongere ik weerspiegelde. Plotseling kwam hij overeind met de radio stevig tegen zich aangeklemd. Zo stevig dat de aan/uit-knop een eind maakte aan de overheersende ruisbrij.

Ik word later piloot!”, zei hij vol trots. “Een piloot heeft veel radio’s, meneer. Dat heb ik op televisie gezien. Radio’s waar ik tegelijk naar kan luisteren als ik de ‘vliegmasjien’ bestuur.”

Zijn enthousiasme was vertederend. Het deed er niet toe dat de enige ‘vliegmasjien’ die hij ooit zal besturen beslist van gevouwen papier zal zijn. Het mannetje is gelukkig in zijn eigen wereld. Een wereld die ‘m sterk maakt en overeind houdt. Een wereld waarin hij mag zijn zoals hij is.

Afbeeldingsresultaat voor papieren vliegtuigje

Ik knikte glimlachend. “Als jij naar de radio blijft luisteren, zal dat zeker goed komen. Met mij is het ook goed gekomen.”

Hij stak de duim omhoog en zei: “De radiovriend is de beste vriend, hè meneer?” Het kwartje viel niet. Is maar goed ook.

“Als je dat maar weet, kerel. De beste die er is!”

G. keerde zich om en liep de straat uit met de radio bungelend langs zijn korte benen. Ik keek ‘m na totdat hij de drukke straat bij ons buurtwinkelcentrum overstak. Hij had nog een eind te gaan voordat hij thuis was. Een ijzige windvlaag sneed in mijn gezicht. Ik ben niet zeker of dat de oorzaak was van mijn waterige ogen.

Michel Scheijen

(Visited 67 times, 1 visits today)

Geef een antwoord